![]() |
Gerst - Pellen - Gort |
Voordat in 1750 de aardappel in ons land de status kreeg van volksvoedsel was
het hoofdbestanddeel van de dagelijkse voeding brood en tot gort gepelde gerst.
Veel molens die graan tot meel konden malen werden tevens
uitgerust met een pelsteen om gerst tot gort te malen.
Op diverse plaatsen in Nederland zijn dit soort gecombineerde molens te
vinden.
Uniek zijn de molens die alleen maar konden pellen. Dit gebeurde hoofdzakelijk in
de Zaanstreek. Hier is dan ook sprake van een pel industrie.
In de bloeiperiode telde de Zaanstreek niet minder dan 121 pelmolens die stuk
voor stuk zo'n 400 (!) ton gort per jaar produceerden. Als er voldoende wind was werd er continu gewerkt.
16 uur op en 8 uur af. De bemanning leefde op de molen en ging alleen zondags
naar huis.
Er zijn mensen geweest die 60 jaar achtereen op Het Prinsenhof hebben gewerkt, in ploegendiensten van 16 uur per dag. Molenknechtjes van 10 of 11 jaar waren ook niet ongewoon. Die gingen van 9:00 uur 's morgens tot 4:00 uur 's middags naar school en werkten daarna op de molen tot middernacht.
Voor het laden en lossen van schepen waren er speciale zaadsjouwers. Deze mannen droegen zakken zaad en rijst van 70kg en meer van het schip naar de molen.
Later werd er met pelmolens ook rijst gepeld.
Pelstenen werden voornamelijk gemaakt van Bentheimer zandsteen. Door het hoge toerental van de steen was uit elkaar vliegen niet ondenkbeeldig. Om deze reden werd de steen geplaatst tussen dikke slagbalken. De diameter van een nieuwe steen was 1,80 meter.
Tussen de steen en het pelblik zat ongeveer een duim ruimte, dat wil zeggen: aan beide zijden 11 a 12 millimeter, afhankelijk van de soort gort die men wenste te pellen.
In tegenstelling tot bijvoorbeeld een oliemolen, had de pelmolen veel wind nodig om goed te kunnen werken. Goede wind begon bij windkracht zes! Ook de overbrengingsverhouding tussen bovenas en en steenspil lag met 1:11 erg hoog. Bij 80 enden (20 omwentelingen van de bovenas) resulteert dit in een omtreksnelheid van de pelsteen van ca. 75km/uur.
Om een hoge kwaliteit gort te krijgen werd de gerst vaak tot zes maal toe gepeld. De korrels gingen als het ware zes keer 'door de molen'. Een vast onderdeel in dit proces was het zeefwerk. Via een schuif stroomt de te pellen gerst uit de kaar op de stortzolder naar beneden. De korrels komen dan terecht op een aantal zeefbakken die door een drijfstang heen en weer worden geschud. Op deze manier wordt het te pellen graan ontdaan van 'vuil' zoals kleine stukjes stro, takjes, zanddeeltjes en stof. Het zeven van de ongepelde gerst wordt op de 'koude harp' gedaan.
De gerst die al een of meerdere keren een bewerking had ondergaan werd voor iedere nieuwe bewerking gezeefd op de 'warme harp'.
Het meel dat ontstond bij de eerste pel ronde was van minderwaardige kwaliteit en werd relmeel genoemd. De tweede ronde leverde meel op dat geschikt was voor veevoer. De pelrondes daarna leverden meel op dat ook geschikt was voor menselijke consumptie. Vooral het meel dat ontstond bij de laatste pelling werd gebruikt voor het bakken van pannenkoeken. Om aan raapolie voor het bakken te komen werd wel eens een ruilhandeltje gedaan met de molenaars van een oliemolen. Zo had ieder zijn voordeel.