|
|
Olieslaan |
Hieronder staan enkele voorbeelden van oliehoudende zaden en hun oliepercentage:
|
|
|
|
|
|
| koolzaad | lijnzaad | sesamzaad | sojabonen | palmpitten |
| oliepercentage: | ||||
| 38 - 45% | 40-50% | 50-56% | 18-24% | 45-55% |
In de molens werd voornamelijk koolzaadolie, raapolie en lijnolie gemaakt.
Koolzaad en raapzaad werden vroeger gebruikt voor
lampolie en bakolie. Raapolie werd wel 'boter van de arme man' genoemd.
Tegenwoordig wordt er koolzaad aangeplant om van de olie biodiesel te
maken.
|
|
||
|
|
||
|
|
![]() |
Om de olie uit de zaden vrij te maken, moet het zaad eerst worden gebroken en vermalen tot het er uit ziet als meel. Dit kneuzen gebeurde tot 1600 door middel van stampers. Twee stampers vallen kort na elkaar in pot met zaden die daardoor worden vermalen. Door een aantal potten naast elkaar te zetten kon een zekere productie worden behaald. | |
![]() |
![]() |
|
| Dezelfde rij stampers kan prima worden gebruikt om beenderen tot meel te stampen, waarna er beenderlijm van kan worden gemaakt. Zo werd de Weicheltmühle van oliemolen een lijmmolen. | ||
![]() |
Een andere manier om de zaden te kneuzen is door er een grote steen overheen te laten rollen. Dit systeem is al in de oudheid bekend. | |
| In de rosoliemolen in het openluchtmuseum in Gutach is te zien dat ook hier gebruik werd gemaakt van een enkele steen. |
![]() |
|
| Ondanks dat in- en buiten Europa het gebruik van op zijn kant staande stenen al langer bekend is, wordt op 6 december 1597 aan de uit Uitgeest afkomstige Cornelis Corneliszoon van Uitgeest octrooi verleend op het toepassen van een plat liggende steen (de ligger) waarop twee rechtopstaande stenen naast elkaar rondlopen. Dit systeem kennen we tegenwoordig als 'kollergang' of 'kantstenen'. |
![]() |
Eind 19e eeuw doen de mechanische 'pletten' hun intrede.
![]() |
Deze plet staat in molen Het Pink. Het zaad wordt tussen twee gietijzeren rollen vermalen tot meel. |
Alvorens te gaan persen wordt het meel verwarmd. Dit gebeurt overigens niet met alle soorten meel en niet altijd in iedere molen.
Verwarming van het meel verandert de kwaliteit van de olie. In de Nederlandse oliemolens werd het lijnzaadmeel verwarmd tot 30 a 40 graden. In het buitenland zijn molens aangetroffen die tot 70 graden verwarmden.
![]() |
Het verwarmen van het meel gebeurt op een vuister. | |
| Op een dikke ijzeren plaat wordt het meel verwarmd, terwijl een roerwerk ervoor zorgt dat het meel niet aanbrandt. |
![]() |
Om de olie uit het zaad te persen is een hoge druk nodig.
In oude tijden gebeurde dit met behulp van een hefboomconstructie.
Simpel gezegd ging het oliepersen alsvolgt te werk: Het oliehoudende meel werd in laagjes, gescheiden door een filter (bijvoorbeeld matten gemaakt van koestaarten), in een zwaar uitgevoerde kist gedaan. Op deze kist ging een stop en deze stop werd er met behulp van de hefboom ingedrukt.
![]() |
Voor de hefboom werd een boomstam gebruikt. Het ene uiteinde van de stam stak in een muur het andere einde kon door middel van een touw en een kaapstander naar beneden worden getrokken. Vlak bij het scharnierpunt in de muur bevond zich onder de boomstam de pot of bak met oliehoudend meel. Op deze wijze kon een enorme druk worden uitgeoefend. Een soortgelijk principe is te zien bij dez oliepers in het openluchtmuseum van Gutach, in het Duitse Zwarte Woud. Hier wordt met behulp van een spindelconstructie de boomstam naar boven of beneden bewogen. |
|
|
In de kist zit het oliehoudende meel. Als de
boomstam naar beneden wordt bewogen, zorgen het gewicht en de uitgeoefende
kracht ervoor dat de olie uit het meel wordt geperst.
Deze pers maakt deel uit van een 'ros' oliemolen. |
![]() |
![]() |
||
|
De handbediende schroefpers toegepast bij de winning van olijfolie. Uit 100kg olijven wordt op deze wijze 15 kilo olie gewonnen. Voor olie uit zaden werd voor extra druk een touw aan de hefboom bevestigd die door een kaapstander of koningsspil kon worden aangetrokken. |
![]() |
![]() |
Dit is een tekening van een wigpers. Hierbij wordt een wig in een bank gedreven waardoor een horizontale druk ontstaat. (bewerking van een afbeelding in het N.O.M. te Arnhem) |
In de bank kon een kist met meel, filter en een stop erop worden geplaatst. Omdat nu horizontaal wordt geperst ligt de pot op zijn kant en staat niet zoals bij de hevel verticaal.
In onze Nederlandse oliemolens wordt in plaats van een pot met meel een filterzak, de zogenaamde 'buul' gebruikt. Om de buul te beschermen moet ze wel in een beschermende omhulling, de zogenaamde 'haar', worden geplaatst, anders wordt ze kapot gedrukt.
In de Nederland komen zowel in de ros-oliemolens, de water-oliemolens als de wind-oliemolens verticale heien voor. Deze heien (palen van 100 a 150kg) worden door een wentelas opgetild en vallen door de zwaartekracht terug, waarbij de kracht van de vallende hei de wig in de wigpers drijft.
In het oostelijke deel van Duitsland en in Oostenrijk werd gebruik gemaakt van enorme hamers. De hamers worden door een wentelas zijwaards bewogen waarna ze terugzwaaien. De zware ijzeren kop slaat de wig in de pers. Bij deze zogenaamde 'Schlegelpresse' liggen de wiggen horizontaal.
![]() |
Schlegelpresse. Links is de hamer te zien die de uit de bank stekende horizontale wig in de pers slaat. Eind 19e eeuw werden de Schlegelpressen vervangen door 'Rammpressen', te vergelijken met de bij ons bekende valheien (geen eigen foto) |
|
| Voor het lossen van de wig (de slagbeitel) is in de Nederlandse molens naast de slaghei een loshei aangebracht die op een contrawig (de losbeitel) slaat . Bij de Schlegelpresse volstaat het 'verschuiven' van de hamer om op de loswig te slaan. Een molen die nog een dergelijke Schlegelpress heeft is de museum oliemolen in Pockau (Saksen). |
![]() |
|
![]() |
Aandrijving van de Collse
molen in Eindhoven, een oliemolen die door water wordt aangedreven. (afbeelding met toestemming van de Collse molen) |
|
Olieslagers in werkkledij, foto uit het boek Oud-Zaansch Molenleven van P.Boorsma.
In doorsnee werkten er op een oliemolen 5 mensen. Dit waren:
De Blokmaalder, dit is de baas en hij is verantwoordelijk voor de molen en het naslag. De tweede man is de Steenknecht, verantwoordelijk voor de kantstenen en het voorslag.
De overige bezetting bestond uit 'jongens'. Het personeel werd betaald per 'last', Een last was 1960kg zaad. Een last lijnzaad levert circa 640kg olie en 1320kg koek. Geen wind was geen werk en dus geen inkomen. Verder was het inkomen afhankelijk van de marktprijzen van zaad, olie en koeken.
In de Zaanstreek verdiende een Blokmaalder circa 5,20 euro per week. De steenknecht 3,40 euro. De gemiddelde huishuur was in die tijd 21 euro per jaar en een huwelijk in Zaandam kostte in 1790 tussen de 1,40 en 2,80 euro. Een begrafenis kostte in die tijd in Oostzaan 2,25 euro.
Het olieslaan was een continu proces. Bij goede wind werd er in drie ploegen gewerkt, 16 uur op en 8 uur af, zes dagen in de week. Oliemolens hadden niets aan erg harde wind. De olie heeft tijd nodig om uit het meel te worden geperst en als de wentelas te snel draait kan het voorkomen dat de hei alweer wordt opgetild voordat ze goed en effectief op de beitel heeft geslagen.
In het boek 'Strijd om den Eenhoorn', van Cor Bruijn, is te lezen dat op een goede dag een last zaad (= 1960kg) kon worden verwerkt. Het jaarverbruik van de oliemolen lag op 200 last. Oliemolens hadden dan ook grote schuren voor de opslag van zaad, koeken en turf.
![]() |
Het vuister met dampend naslag meel. | |
![]() |
De buul gaat in de haar... | |
![]() |
de haar gaat in het laad, en met een nieuwe los- en slagbeitel kan oliegeslagen worden. |
|
In 1601 kreeg Pieter Jansz een windbrief voor het oprichten van een oliemolen te Zaandijk uitgerust met kantstenen. Dit is waarschijnlijk de eerste oliemolen in de Zaanstreek.
In 1630 stonden er in de Zaanstreek al 44 oliemolens.
In de literatuur zijn in totaal 204 Zaanse oliemolens bekend. De meeste stonden ten Oosten en Noord-Oosten van de Zaan.
Het aantal oliemolens dat gelijktijdig heeft gewerkt wordt geschat op 140.
De Zaanse olie zorgde er voor dat Amsterdam in de 17e eeuw de grootste oliebeurs werd van Europa.
Haren |
![]() |
|
Pennenbank in het Molenmuseum te Koog aan de Zaan. |
Haren zijn persmatten en danken hun naam aan het paardenhaar waarvan ze werden gemaakt.
Het harenmaken was een speciaal beroep en met veel geheimen omkleed. De haren van manen en paardenstaarten werden eerst over een hekel gehaald om ze te ontwarren. Op een eigen lijnbaan werden van de haren koorden geslagen en de koorden werden op een pennenbank tot matten gevlochten.
In het Molenmuseum in Koog aan de Zaan is een 'pennenbank' te zien, dit is een soort werkbank waarin pennen zijn gestoken waar omheen de paardenharen werden gevlochten. De haren waren enigszins trapeziumvormig en werden met een leren omslag omhuld.
Nieuwe haren waren dik en stug en het duurde een hele tijd voordat een nieuwe haar soepel kon buigen.
![]() |
Deze woning en Harenmakerij van Klaas Harenmaker & Compagnon is te zien op de Zaanse Schans. De woning stond tot 1960 aan de Hoogstraat nabij Zaandijk. |
Pottenkijkers waren bij het harenmaken niet welkom. Met het verdwijnen van de oliemolens verdween ook het beroep van harenmaker en hiermee de techniek en de kneepjes van het vak.
Op de molens 'Woldzicht' en 'De Bonte Hen' zijn redelijk succesvolle pogingen gedaan om de haren na te maken van sisal en kunststof. In andere molens zoals bijvoorbeeld 'De Wachter' worden houten plankjes gebruikt in plaats van gevlochten matten.
|
"Wanneer de koperen bekkens onder de laden bijna gevuld waren, werden ze geledigd in een 'sester'. De olieslagers sleepten de sester aan een touw achter zich aan naar de gemetselde oliebakken die zich veelal in de molen juist voor de schuur bevonden. De bakken waren 3 1/2 a 4 meter diep. De bovenkant bevond zich 50 a 60 cm boven de vloer. De olie werd met houten pompen uit de bakken in vaten gepompt.
![]() |
![]() |
|
| Olievaten in 'De Bonte Hen' |
Vier oliepompen op de oliekelders in oliemolen 'Woldzigt' |
In molen 'Woldzigt' in Roderwolde zijn nog 4 oliekelders, 2 met een inhoud van 20.000 liter en 2 met een inhoud van 17.000 liter. Hier liep de lijnolie direct via een bezinkbak met overloop door een buis naar de kelders. Koolzaadolie werd in een druppelaar gefilterd.
![]() |
Om de olie te filteren werd een constructie gebouwd van twee kuipen met
daartussen verticale filters.
In de bovenste kuip werd de olie gegoten. Via filters druppelde de olie vervolgens in de onderste kuip. In oliemolen 'Woldzigt' te Roderwolde staat deze druiperij. |
De sester was oorspronkelijk van hout en had aan de onderzijde
sleeijzers. Later werden de sesters van ijzer.
De inhoud van de Amsterdamse sester als oliemaat, was ongeveer 48,5 liter. Na
invoering van het metrieke stelseI werd de inhoud van de sester 50 liter.
Soms hebben sesters in het midden een 'peilstok'. Deze metalen strip is aan de ene zijde om de 2,5 cm gekeept en aan de andere zijde om de 5 cm. Dit komt overeen met een volume van 5 liter, respectievelijk 10 liter per inkeping. De bovenzijde van de peilstok correspondeert met een volume van 50 liter!
![]() |
![]() |
|
| Twee sesters. Aan de onderzijde zijn de 'sleeijzers' te zien. | Peilstokje in de sester met inkepingen voor 5 en 10 liter. |
![]()