Verf
 

 

In 1596 werd in het voormalige Clarissenklooster aan de Heiligeweg te Amsterdam een tuchthuis gevestigd. Jongens die van het rechte pad waren geraakt werden daar aan het werk gezet. De gevangenen moesten hout uit Brazilië raspen tot pigmentpoeder waar dan verf van kon worden gemaakt. Daarom heette het tuchthuis ook wel rasphuis.
Rasphuis  

Deze afbeelding toont de grote binnenplaats van het Rasphuis met de boomstammen die klaar liggen om tot verfstof te worden geraspt

(bron: http://gemeentearchief.amsterdam.nl/schatkamer/300_schatten/orde/rasphuis/)

 

Rasphuis   De bovenstaande afbeelding laat een vriendelijk beeld zien van een inrichting waar het als gevangene niet slecht toeven was. De rasphuizen waren uit humanistisch idealistisch oogpunt opgezet, maar veranderden al snel in plaatsen waar goedkope arbeid werd geleverd.

Onderstaande tekst is een citaat uit een artikel genaamd "Tussen Zwart en Wit", geschreven door Sjors van Leeuwen, handelend over de geschiedenis en herkomst van kleur en verf. Het artikel is te vinden op:

http://www.zaans-industrieel-erfgoed.nl/pages_3/met%20stoom%2015%20art%20%2002.html

" Het Rasphuis was ontsproten aan het brein van een aantal humanistische denkers als Coornhert en Spiegel die een dosis tucht, werk en zedenlessen als goede voorbereiding zagen voor terugkeer in de maatschappij. In 1595 opende het Amsterdamse tuchthuis zijn poorten met als mannenafdeling het Rasphuis.

De straffen voor hen die weigerden te werken, lijken overigens minder humaan: de betrokkene werd in een kelder gezet die langzaam vol water liep, met een handpomp als redmiddel zodat men letterlijk moest pompen om niet te verzuipen.
Al gauw bleek het raspen van verfhout een lucratieve bezigheid. Het Rasphuis verzekerde zich van het monopoly door het uitvaardigen van keuren waarmee men verbood in Holland en West-Friesland verfhouten te verwerken. Dit kostte ook de kop aan de Zaandijker molen, die aanvankelijk voor het Rasphuis werkte. Regelmatig werden er controleurs uit Amsterdam naar de Zaanstreek gezonden om te zien of de keuren wel goed nageleefd werden. Hun werk werd bemoeilijkt door de waterrijke structuur van de streek. Het gevolg was dat de grote steden niet in staat waren om de ontwikkelingen op het platteland in de hand te houden en naast olie-, pel- en houtzaagmolens verrezen er steeds meer verfmolens. Omdat er in Amsterdam veel dispuut was over levertijd en kwaliteit verkregen de Zaanse verfmolens steeds meer klanten die het Rasphuis vaarwel zegden. "


Verf

Bron:  Zuiderzee Museum Enkhuizen
openluchtmuseum 'Het Hoge Land' te Warfum In de 19e eeuw maakte de schilder zijn eigen verf door droge kleurstof, pigment, te mengen met een vloeibaar bindmiddel. Er stonden diverse pigmenten tot zijn beschikking; plantaardige-, dierlijke-, delfstoffen zoals kopergroen en loodmenie, en uit steen vervaardigde kleurstoffen zoals ultramarijn.

Als bindmiddel gebruikte de schilder voornamelijk lijnolie dat werd gewonnen uit lijnzaad. Aan deze bestanddelen werden vervolgens nog loodhoudende stoffen toegevoegd om de droging en de duurzaamheid te verhogen.

Oude schilderswerkplaats in openluchtmuseum Het Hoge Land te Warffum.
Omstreeks 1860 kwam een verfmolen in gebruik, waardoor het bereiden van verf sterk werd vereenvoudigd. Het pigment werd met lijnolie vermalen tot verfpasta.
Met dit gietijzeren toestel konden grotere hoeveelheden verf worden bereid.

Begin 1900 werd een constructie bedacht waarmee twee kleuren tegelijk konden worden gemalen. Door aansluiting op een motor kon zo'n molen de verf machinaal bereiden en kwam er een einde aan het handwerk. In de eerste helft van de 20e eeuw namen fabrieken de productie van verf ter hand.

gietijzeren verfmolen 1860
   

Op een Internet site met te koop aangeboden spullen stond deze oude verfmolen.

   
schilderswerkplaats Zuiderzee Museum schilderswerkplaats Zuiderzee Museum

Nog even een blik in een oude schilderswerkplaats, dit keer in het buitenmuseum van het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen.


Geschiedenis

Zuiderzeemuseum, Enkhuizen Tot circa 1700 werden houten huizen geteerd.
Pas na circa 1700 werden houten panden van meer kleuren voorzien. Hierdoor ontstond een grotere behoefte dan voorheen aan droge gemalen pigmenten. Vanaf die tijd gingen de verfmolens zich ook bezig houden met het vermalen van aardverven voor de schilder.
Zaanse Schans


Weefhuis te Zaandijk   De eerste verfmolen stond in Zaandijk op de plaats waar nu het Weefhuis staat. In dit weefhuis was jarenlang de Vereniging de Zaansche Molen gehuisvest. Deze vereniging is thans eigenaar van molen 'De Kat', de laatste Zaanse verfmolen.

Pieter Janz van der Ley begon hier in juni 1601 met zijn houtmolen verfhout uit de tropen te verwerken.


De Duinjager In 1959 bouwde molenmaker G.Husslage bovenstuk en binnenwerk van verfmolen De Duinjager op het onderstuk van oliemolen De Kat. Zo begonnen twee molenrestanten daterend uit circa 1780 een nieuw leven.
molen 'De Duinjager'  
Verfmolen De Kat Molen De Kat is de laatste van de ongeveer 55 verfmolens die in de Zaanstreek hebben gestaan en die kleur aan ons verleden hebben gegeven.  Naar de Kat  ►►

De geschiedenis van het allereerste malen van kleurstoffen tot de allerlaatste windturbines is te vinden in het boek 'Spieren Water Wind, 23.000 jaar malen en molens'.
Klik hier voor meer informatie.>>>


23.000 jaar malen en molengeschiedenis


- Foto's gemaakt door  J.Kamphuis, Zaandam
- deze pagina is onderdeel van http://www.industriemolens.nl
- voor het laatst bijgewerkt op 09-09-2009.
© J.J.Kamphuis