![]() |
"
Hout "
|
|
Hout, transport en verwerking |
![]() |
In de 17de eeuw waren rond Amsterdam, in de
Zaanstreek en in de buurt van Rotterdam tientallen scheepswerven te vinden. Het bouwen van een groot houten zeilschip duurde in de 17de eeuw ongeveer 7 of 8 maanden. Dat is erg snel als je bedenkt wat daar allemaal voor nodig is. De scheepswerven waren dan ook heel goed georganiseerd. Dit is een foto van de Batavia, een spiegelretourschip. Deze Batavia is een goed voorbeeld van een schip dat door de Verenigde Oostindische Compagnie (de VOC) werd gebouwd voor de handel op wat toen heette 'Oost Indië' |
![]() |
Gedurende de bijna twee eeuwen van haar bestaan rustte de VOC 4.721 keer een schip voor de vaart naar Azië uit. In totaal zond men 3.356 maal van overzee een retourschip terug. |
In 1636 bestond de zeevloot van Holland en Zeeland uit 4300 schepen. Per jaar werden er honderden schepen gebouwd, waarvan een belangrijk deel bestemd was voor export. Voor die scheepsbouw was zo'n 320.000 kubieke meter eikenhout nodig. Tellen we daarbij de overige houtbehoefte, voor onder andere binnenschepen, dan zitten we op een hoeveelheid van om en nabij de 450.000 kubieke meter. Omgezet in bosoppervlak is dat ongeveer 3500 hectare per jaar! (Ter vergelijking: droogmakerij de Wijde Wormer is 1600 ha)
De houtzagerij was dus een zeer belangrijke bedrijfstak.
|
|
Hiernaast een afbeelding van de wijze waarop een boomstam tot balken of planken werd gezaagd voordat er sprake was van zagen door middel van windmolens. Deze wijze van zagen werd kraanzagen genoemd. Toen Cornelis van Uitgeest poogde zijn uitvinding van een op windkracht en door een creckwerk aangedreven zaagmachine in de stad te verkopen stuitte hij op grote weerstand van het gilde van houtzagers. |
Het zagen met een molen ging echter tot 30x sneller dan met de hand en de ontwikkelingen waren niet te stoppen. In de loop van de geschiedenis ontstonden er in Nederland drie soorten houtzaagmolens, te weten: de paltrokmolen, de bovenkruier houtzaagmolen en de lattenzager.
De paltrokmolens waren te verdelen in balkenzagers en planken- of wagenschotzagers. De sterkere bovenkruiers waren over het algemeen altijd balkenzagers.
![]() |
![]() |
|
| Paltrok houtzaagmolen 'De Held Jozua' te Zaandam. | Bovenkruier houtzaagmolen 'De Jager' te Woudsend. |
Rabathout en messing en groef waren vroeger onbekend. Om de naad tussen twee planken te dichten werd in beide planken een groef geschaafd. In de groef tussen de planken kwam een latje, veer genoemd. Zo werd de kier gedicht. Het waren de kleinere molens die werden ingericht als latten- of verenzager.
Waar kwam het hout vandaan en hoe kwam het hier naartoe.
Onderstaand een tabelletje met de invoer van ongezaagd hout dat is overgenomen uit het blad "Zaans Erfgoed";
|
1650 |
1750 |
|
| Noorwegen | 260.000 m3 | 76.000 m3 |
| Oostzeegebied | 54.000 m3 | 160.000 m3 |
| Rijngebied | 19.000 m3 | 94.000 m3 |
| Weser en Elbe | 11.000 m3 | 12.000 m3 |
| Totaal | 344.000 m3 | 342.000 m3 |
De Zaanse houthandel kocht haar hout (voornamelijk eikenhout) op de Dordtse markt, terwijl Amsterdam en de westelijke Zuiderzeesteden veel op de Deventer houtmarkt kochten.
![]() |
Een van de Duitse gebieden waar hout vandaan kwam was het Zwarte Woud. De gezaagde stammen werden naar beken gebracht van waar ze in kleine vlotten naar de zijrivieren van de Rijn dreven. Daar werden ze samen gebonden om als groter vlot naar de Rijn te drijven. |
|
![]() |
Bij de Rijn aangekomen werden de kleine vlotten omgebouwd tot enorme vlotten van honderden meters lang en soms wel 5 meter dik. | |
![]() |
Op de vlotten werden hutten gebouwd waarin de vlotters en hun familie tijdens de lange reis woonden. Veel hout kwam op deze wijze vanuit Duitsland de Rijn afzakken. Het eindpunt was Dordrecht. Een vlot van duizenden kubieke meters hout vertegenwoordigde een kapitaal. Als alles goed was gegaan en de eindbestemming veilig was bereikt was er reden tot vreugde zoals op dit prentje te zien is. Voor douaniers was het een onmogelijke opgave om de drijvende massa boomstammen te doorzoeken op illegale waren. De vlotters maakten hier handig gebruik van en verdienden zo een aardig centje bij. Doordat de vlotters een goed loon mee terug naar huis brachten stonden ze in goed aanzien. |
|
![]() |
In Dordrecht werden de vlotten opgedeeld in kleine eenheden om verder landinwaards te worden vervoerd. | |
![]() |
Hier liggen grote hoeveelheden hout in de Houthaven van Zaandam. | |
![]() |
Ook op andere lokaties lag het hout in grote vlotten te wachten op verwerking. Hier zien we links de Zaan met het schiereiland de Hemmes. Rechtsboven zien we oliemolen de Ooievaar. De brug naar de overkant was nog niet gebouwd. (bouw 1937) |
Ooit stonden in Nederland vele honderden houtzaagmolens, waarvan er rond 1730 zo'n 256 in bedrijf waren in de Zaanstreek.
Vandaag de dag komt nog steeds veel hout uit het Zwarte Woud. Rechte stammen waren indertijd zeer geliefd om scheepsmasten van de maken. Hollandse houtkopers gingen speciaal op reis om rechte stammen te selecteren. Nog steeds wordt in het Zwarte Woud een forse rechte stam een "Holländer" genoemd.
![]() |
Aan de vlotterij kwam een einde met de introductie van de spoorwegen. Toen de treinen in Amerika gingen rijden kon goedkoop graan uit het binnenland naar de kust worden vervoerd. Dit kwalitatief goede graan zorgde er bij ons voor dat de provincie Groningen de basis van haar welvaart kwijtraakte. In het Zwarte Woud zorgden de spoorwegen voor transport in alle jaargetijden en liep de welvaart terug doordat de vlotters en hun gezinnen binnen korte tijd hun inkomsten kwijt raakten. |
Bronnen:
http://www.cultuurwijs.nl foto van de Batavia
http://voc-kenniscentrum.nl
tekening van een spiegelretourschip
Flösser Museum Gengenbach im Kinzigtal.
FreilichtMuseum Vogtsbauernhof Gutach.
Zaans Erfgoed, 1e jaargang, nr 2, uitgave stichting Zaans Erfgoed,
© J.J.Kamphuis